Baarmoederhalskanker


Jaarlijks wordt in Nederland bij ongeveer 585 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld.

Baarmoederhalskanker ontstaat uit cellen in het slijmvlies op de grens van baarmoederhals en baarmoedermond.

In het overgangsgebied van de slijmvliezen kunnen afwijkende cellen ontstaan. Er is dan nog geen sprake van kanker. De afwijking kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een ontsteking of infectie. Meestal herstelt het lichaam dit zelf weer. Als dat niet lukt en het aantal afwijkende cellen neemt toe, kan na verloop van tijd een voorstadium van baarmoederhalskanker ontstaan. De aandoening is in dit stadium nog heel beperkt en kan met een eenvoudige behandeling worden verholpen. Als dit voorstadium niet wordt behandeld, ontstaat uiteindelijk baarmoederhalskanker. Dit kan wel 10 tot 15 jaar duren. Na behandeling van het voorstadium is de kans op genezing vrijwel 100%.

Doorgroei en uitzaaiingen
Baarmoederhalskanker kan doorgroeien in de onderliggende spierlaag, naar de vagina, naar de baarmoeder, of naar de steunweefsels rond de baarmoederhals. Op den duur kan uitbreiding plaatsvinden naar omringende organen (zoals de blaas of de endeldarm, dat is het laatste deel van de dikke darm). Wanneer de tumor doorgroeit, neemt de kans toe dat er tumorcellen losraken en via de lymfe en/of het bloed worden verspreid. Op deze manier ontstaan uitzaaiingen.
Bij baarmoederhalskanker vindt de verspreiding vooral plaats via het lymfestelsel. Deze uitzaaiingen komen als eerste terecht in de lymfeklieren in de buikholte. Verspreiding van tumorcellen via het bloed treedt bij baarmoederhalskanker minder vaak op en meestal in een later stadium van de ziekte. Er kunnen dan uitzaaiingen ontstaan in bijvoorbeeld longen, botten of lever.

Bij veel soorten kanker kunnen bepaalde omstandigheden het risico op de ziekte vergroten. Bij het ontstaan van baarmoederhalskanker speelt een virus, het humaan papilloma virus (hpv), een belangrijke rol. Dit virus wordt via geslachtsgemeenschap overgebracht. Ongeveer 80% van de vrouwen krijgt ooit tijdens haar seksueel actieve leven een hpv-infectie. In de regel ruimt het afweersysteem dit soort virussen op. Maar soms ontsnapt het virus hieraan en kan het veranderingen aan de cellen van de baarmoederhals teweegbrengen. Bij sommige vrouwen leidt dit tot baarmoederhalskanker.

Het risico op besmetting met hpv is groter naarmate een vrouw en/of haar partner meer wisselende seksuele contacten hebben. Dat betekent niet dat als een vrouw baarmoederhalskanker heeft, zij en/of haar partner 'dus' meer wisselende contacten hebben (gehad). Het ontstaan van baarmoederhalskanker is afhankelijk van meer factoren. Baarmoederhalskanker komt vaker voor bij vrouwen die roken. Roken beïnvloedt het afweersysteem waardoor het meer moeite kan hebben het hpv op te ruimen. Naar het gebruik van de pil en het risico op baarmoederhalskanker wordt nog onderzoek gedaan. De uitkomsten tot nu toe vormen geen reden om het gebruik van de pil af te raden. Het mogelijke risico zou vooral komen doordat pilgebruiksters geen condoom gebruiken, terwijl deze beschermt tegen overdracht van virussen zoals het hpv.
Baarmoederhalskanker is niet besmettelijk. Besmetting door geslachtsgemeenschap is niet mogelijk.
Ook is baarmoederhalskanker, net als de meeste soorten kanker, niet erfelijk.

Klachten
Veranderingen aan de cellen van de baarmoederhals leiden in eerste instantie niet tot klachten. Meestal is het eerste verschijnsel dat een vrouw opmerkt, een ongewone, bloederige afscheiding. Het hoeft niet altijd om een echt duidelijke bloeding te gaan. Als er maar een beetje bloedverlies is, geeft dat een bruinige afscheiding. Soms ziet een vrouw alleen maar wat bruine veegjes.
Ongewoon bloedverlies is bloedverlies buiten de normale menstruatieperiode, bijvoorbeeld:


  • Tijdens of vlak na geslachtsgemeenschap, een zogenoemde 'contactbloeding'.
  • Tussen twee menstruaties.
  • Een bloeding na de overgang. Vrouwen verwarren dit wel eens met het plotseling terugkeren van de menstruatie. Maar als een vrouw al geruime tijd, ongeveer een jaar, niet meer heeft gemenstrueerd, is zo’n bloeding geen gewone ongesteldheid. Deze klachten kunnen ook andere oorzaken hebben, maar zijn altijd een reden om uw huisarts te raadplegen.
Als u met een of meer van de hiervoor genoemde klachten bij uw huisarts komt, zal deze u eerst lichamelijk onderzoeken. Daarbij hoort ook een inwendig onderzoek en een uitstrijkje. Zo nodig verwijst uw huisarts u naar een gynaecoloog, een arts gespecialiseerd in ziekten van de vrouwelijke geslachtsorganen. Deze arts zal het lichamelijk onderzoek en het uitstrijkje herhalen en ook een inwendig onderzoek doen.
De onderzoeken die over het algemeen plaatsvinden wanneer er klachten zijn die op baarmoederhalskanker wijzen, zijn:

  • uitstrijkje
  • inwendig onderzoek
  • colposcopie
  • inwendig onderzoek (onder narcose)
  • röntgenonderzoek
  • echografie van de nieren
  • CT-scan (computertomografie)
  • MRI (Magnetic Resonance Imaging)
Stadium-indeling
Voordat uw arts kan bepalen welke behandeling hij u voorstelt, moet hij weten uit welke soort kankercellen de tumor is opgebouwd, welke mate van kwaadaardigheid de tumor heeft en wat het stadium van de ziekte is. Onder het stadium verstaat men de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Op grond van de beschreven onderzoeken kan uw specialist het stadium van de ziekte vaststellen. Bij baarmoederhalskanker worden vier stadia onderscheiden die hier in grote lijnen zijn weergegeven.

  • Stadium I: de tumor is beperkt tot de baarmoederhals.
  • Stadium II: de tumor is doorgegroeid vanuit de baarmoederhals tot in het steunweefsel of het bovenste deel van de vagina.
  • Stadium III: de tumor is verder doorgegroeid tot aan de bekkenwand of in het onderste deel van de vagina.
  • Stadium IV: de tumor is buiten het bekken gegroeid of doorgegroeid in de blaas of de endeldarm (het laatste deel van de dikke darm). Ook bij uitzaaiingen van baarmoederhalskanker in andere organen, bijvoorbeeld in de longen of de botten, spreekt men van stadium IV.
De meest toegepaste behandelingen bij baarmoederhalskanker zijn:

  • operatie (chirurgie)
  • bestraling (radiotherapie)
  • behandeling met celdelingremmende medicijnen (chemotherapie)
  • warmtebehandeling (hyperthermie)
Vaak is een combinatie van deze behandelmethoden nodig.

Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling tot doel heeft genezing te bereiken, dan wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Onderdeel daarvan kan een toegevoegde behandeling zijn. Bijvoorbeeld chemotherapie na een operatie, om eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden (adjuvante behandeling) en daarmee de kansen op ziektevrije, langdurige overleving te vergroten. Of chemo- of radiotherapie voor een operatie om de tumor te verkleinen (neoadjuvante behandeling). Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo’n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten.

Operatie (chirurgie)
Hoe ingrijpend de operatie zal zijn, hangt af van het stadium van de ziekte. In ieder geval zal de specialist behalve de tumor ook schijnbaar gezond weefsel daaromheen wegnemen. Dit gebeurt omdat tijdens de operatie niet te zien is of het weefsel net buiten het tumorgebied vrij is van kankercellen. Ruim opereren vergroot de kans dat alle kankercellen weg zijn. Alleen in een vroeg stadium en als u (nog) een kinderwens heeft, kan worden volstaan met een 'exconisatie'. Bij deze operatie verwijdert de gynaecoloog het bovenste stukje van de baarmoedermond. Het weggesneden stukje heeft de vorm van een kegeltje (conus). De baarmoeder zelf blijft intact. De operatie gebeurt onder narcose of met verdoving van het onderlichaam (ruggenprik). Na de behandeling blijft u een aantal jaren onder controle. Daarbij wordt met regelmaat een uitstrijkje gemaakt. Is de baarmoederhalskanker in een vroeg stadium en is er geen kinderwens, dan bestaat de behandeling uit de verwijdering van de hele baarmoeder.

Wertheim-Meigsoperatie
Bij een verder gevorderd stadium vindt een ingrijpender operatie plaats waarbij naast de baarmoeder, ook het bovenste deel van de vagina wordt verwijderd. Verder verwijdert de gynaecoloog een groot deel van omringend steunweefsel en lymfeklieren uit het bekken. Op de plaats waar de baarmoeder heeft gezeten, wordt de nu wat kortere vagina dichtgemaakt. Deze operatie staat bekend als de operatie van Wertheim-Meigs. De operatie vindt plaats via een snede in de onderbuik, vanaf het schaambeen tot de navel of net daarboven. De arts kan zo de hele buik inspecteren. De eierstokken kunnen bij deze operatie blijven zitten. Soms zal de gynaecoloog - als hij verwacht dat na de operatie bestraling volgt en de patiënte nog niet in de overgang is - een of beide eierstokken
hoger ophangen in de buikholte, om deze buiten het bestralingsgebied te plaatsen. Als de arts u een Wertheim-Meigs-operatie voorstelt, maar u heeft nog een kinderwens, overleg dan of een trachelectomie een mogelijkheid is.

Trachelectomie
Een trachelectomie is een operatie waarbij de arts alleen de baarmoederhals met het omringende steunweefsel en de lymfeklieren uit de onderbuik verwijdert. Dit is geen standaardoperatie voor baarmoederhalskanker, maar lijkt in bepaalde situaties een veilig alternatief. Slechts in enkele ziekenhuizen in ons land wordt deze behandeling uitgevoerd en dan altijd in het kader van wetenschappelijk onderzoek.

Onderzoek
Een patholoog onderzoekt het weggehaalde weefsel onder de microscoop op aanwezigheid van kankercellen. Het duurt vaak minimaal een week voordat de uitslag bekend is. Daarmee is een definitieve uitspraak mogelijk over het type en de mate van kwaadaardigheid van de kankercellen. Dit bepaalt mede of verdere behandeling noodzakelijk is. Als het risico aanwezig is dat er plaatselijk kankercellen zijn achtergebleven, wordt soms na de operatie adjuvante bestraling geadviseerd. Dit hangt af van:


  • De aanwezigheid van kankercellen in de randen van het weggehaalde weefsel.
  • De aanwezigheid van kankercellen in de lymfeklieren.
  • Doorgroei van de kankercellen naar het steunweefsel rond de baarmoederhals.
  • In sommige situaties bij een combinatie van factoren, zoals de grootte van de tumor, dieptegroei en groei in lymfebanen.
Bestraling (radiotherapie)
Bestraling is een plaatselijke behandeling met als doel de kankercellen te vernietigen, terwijl de gezonde cellen zo veel mogelijk gespaard blijven. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel. Bestraling kan bij baarmoederhalskanker een curatieve, adjuvante of palliatieve behandeling zijn. Bij meer gevorderde stadia van baarmoederhalskanker wordt bestraling zonder voorafgaande operatie als eerst aangewezen behandeling toegepast (curatieve bestraling). Daarbij worden behalve de baarmoeder ook de eileiders, de eierstokken, het bovenste deel van de vagina en de lymfeklieren in het bekken bestraald. Meestal wordt een combinatie van inwendige en uitwendige bestraling gegeven. Bij veel vrouwen wordt bestraling gecombineerd met chemotherapie of hyperthermie.

Uitwendige bestraling
De straling komt uit een bestralingstoestel. Het te behandelen gebied wordt van buitenaf - door de huid heen - bestraald. De radiotherapeut zorgt ervoor dat de stralenbundel nauwkeurig wordt gericht en dat het omliggende, gezonde weefsel en kwetsbare organen zo veel mogelijk worden gespaard. Over het algemeen duurt een bestralingsbehandeling een aantal weken en heeft 4 tot 5 maal per week plaats. In die periode krijgt u elke werkdag gedurende een aantal minuten een kleine dosis straling. Voor uitwendige bestraling is geen opname in het ziekenhuis nodig. Bij patiënten die uitwendige bestraling krijgen als adjuvante behandeling, begint de bestralingsserie enkele weken na de operatie.

Bijwerkingen
Bestraling beschadigt niet alleen kankercellen, maar ook gezonde cellen. Daardoor kunt u met bijwerkingen te maken krijgen. Over het algemeen hebben mensen gedurende de bestralingsperiode last van vermoeidheid. Doordat bij bestraling van de onderbuik ook de darmen en de blaas straling krijgen, kunt u veelvuldig aandrang voelen om ontlasting te krijgen, last hebben van buikkrampen en diarree, of er kunnen klachten optreden zoals bij een blaasontsteking. Als u nog niet in de overgang bent, zal bestraling van de eierstokken tot gevolg hebben dat u in de overgang komt. Soms is het mogelijk om van tevoren een of beide eierstokken buiten het bestralingsgebied te plaatsen (zie hierboven bij 'operatie'). Op de bestralingsafdeling krijgt u gerichte adviezen om zo min mogelijk last te hebben van de bijwerkingen. De meeste klachten verdwijnen meestal enkele weken na afloop van de behandeling. Sommige mensen merken echter nog lang na hun behandeling dat zij eerder vermoeid zijn dan voor hun ziekte. Ook kunnen klachten soms langer aanhouden. Misschien houdt u langer last van darmklachten (krampen, veelvuldige aandrang en diarree). Uw arts kan hiervoor medicijnen voorschrijven. Ook kunnen er blaasklachten zijn, zoals vaker aandrang, of blaasontstekingen. Vooral bij de combinatie van uitwendige en inwendige bestraling kan het bovenste deel van de vagina stugger en droger worden. Dit kan seksuele activiteit bemoeilijken. Uw arts zal u adviezen geven om dit zoveel mogelijk te voorkomen.

Inwendige bestraling (brachytherapie)
Inwendige bestraling vindt plaats van binnenuit met een kleine stralingsbron. Hiervoor brengt de arts applicatoren (bronhouders) in de baarmoeder en/of in het bovenste gedeelte van de vagina in. Deze bronhouders zijn smalle holle buisjes. Het inbrengen van de bronhouders gebeurt onder plaatselijke verdoving of onder narcose. Als u inwendige bestraling krijgt na een operatie kunt u doorgaans poliklinisch behandeld worden. Meestal is echter opname in het ziekenhuis nodig. De inwendige bestraling vindt plaats door middel van een 'after-loading-apparaat'. Dit apparaat brengt, via dunne slangen, radioactiviteit over naar de bronhouder. Van de bestraling zelf voelt u niets. De radiotherapeut berekent nauwkeurig hoeveel straling voor iedere patiënte nodig is. Hierdoor varieert de duur van de inwendige bestraling.

Na het inbrengen van de bronhouders maakt men röntgenfoto’s of een CT-scan voor de berekening van de dosis inwendige bestraling. Bij sommige vrouwen wordt ook een mri gemaakt. Het maken van de foto’s en het precies berekenen van de bestralingsdosis kan een half uur tot enkele uren duren. Uw radiotherapeut zal dit tevoren met u bespreken. Als de bestraling een aantal uren duurt, verblijft u, vanwege de straling, in een kamer met speciale voorzieningen. Daar worden de bronhouders aangesloten op het after-loading-apparaat. Er is dan tevoren een urinekatheter ingebracht, zodat u rustig
in bed kunt blijven liggen. Als de bestraling klaar is, wordt het after-loading-apparaat losgekoppeld en worden de bronhouders verwijderd. U bent daarna vrij van straling.

Bijwerkingen
Doorgaans heeft u weinig klachten na inwendige bestraling. Soms is het plassen enkele dagen wat gevoelig. Omdat de inwendige bestraling tijdens of kort na de uitwendige bestraling plaatsvindt, kunt u wel nog last hebben van de bijwerkingen van de uitwendige bestraling.

Chemotherapie
Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen invloed op de celdeling. De medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus, als tablet of per injectie. Via het bloed verspreiden zij zich door uw lichaam en kunnen op vrijwel alle plaatsen kankercellen bereiken. Chemotherapie wordt bij baarmoederhalskanker bij veel vrouwen gecombineerd met bestraling. De toevoeging van chemotherapie tijdens de bestralingsperiode versterkt het effect van de bestraling op baarmoederhalskanker. Meestal wordt tijdens de periode van de dagelijkse uitwendige bestraling één keer per week de chemotherapie gegeven (cytostaticakuur), waarvoor u 1 tot 2 dagen in het ziekenhuis moet blijven. Een dergelijk schema van toediening met daarna een rustperiode heet een cytostaticakuur. Zo’n kuur wordt enige malen herhaald.

Chemotherapie kan bij baarmoederhalskanker ook worden toegepast in de volgende situaties:

  • Om te proberen de tumor te verkleinen, zodat de operatie of bestraling die daarop volgt beter is uit te voeren (vooral in het kader van wetenschappelijk onderzoek).
  • Als palliatieve behandeling in een vergevorderd stadium van de ziekte.
Bijwerkingen
Cytostatica tasten naast kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen onaangename bijwerkingen optreden. Haaruitval, misselijkheid, braken, darmstoornissen, een verhoogd risico op infecties en vermoeidheid zijn hiervan enkele voorbeelden. Acute misselijkheid en overgeven zijn meestal te bestrijden met medicijnen. De bijwerkingen verminderen meestal geleidelijk nadat de cytostaticatoediening is beëindigd. Vermoeidheid kan na de behandeling echter nog lang aanhouden. Bij de combinatie van bestraling met chemotherapie zult u de behandeling waarschijnlijk als extra vermoeiend ervaren. Meestal is er bij deze gecombineerde behandeling weinig haaruitval. Of u last krijgt van bijwerkingen van chemotherapie hangt ondermeer af van de soorten en hoeveelheden cytostatica die u krijgt.

Hyperthermie
Hyperthermie betekent letterlijk 'verhoogde temperatuur'. Bij een hyperthermie-behandeling wordt de tumor verwarmd tot een temperatuur van 42 à 43 graden Celsius (°c). Hiervoor gebruikt men microgolfstraling. Het verwarmde gebied wordt gedurende 60 tot 90 minuten op die temperatuur gehouden. Gedurende die tijd ligt u in een speciaal hyperthermieapparaat. Deze behandeling vindt alleen plaats in enkele gespecialiseerde behandelcentra. U kunt iemand meenemen om u gedurende de behandeltijd gezelschap te houden. Gezonde cellen zijn bestand tegen de verhoogde temperatuur, maar kankercellen worden hierdoor aangetast. Een deel van de kankercellen gaat dood door de hyperthermie. Andere kankercellen worden gevoeliger voor een andere behandeling. Hyperthermie wordt daarom altijd in combinatie met andere behandelmethoden gegeven. Bij hogere stadia van baarmoederhalskanker wordt hyperthermie vaak gecombineerd met bestraling. Hyperthermie wordt doorgaans een keer per week toegepast, 1 tot 4 uur na de bestraling van die dag, tot in totaal 5 behandelsessies.

Bijwerkingen
Soms ontstaat er een onderhuidse verbranding of verbranding in het spierweefsel. Dit kan een paar dagen pijn bij aanraking of bij beweging geven. Na de behandeling zijn de meeste mensen vermoeid. Deze vermoeidheid verdwijnt over het algemeen na een paar uur of na een nacht slapen.

Afzien van behandeling
Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat, dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Hierbij zal het doel van de behandeling vaak een rol spelen. Het maakt natuurlijk verschil of de behandeling curatief of palliatief bedoeld is, of dat er sprake is van een adjuvante behandeling. Bij een curatieve behandeling accepteert u misschien meer bijwerkingen of gevolgen. Als een palliatieve behandeling wordt geadviseerd, zult u de kwaliteit van uw leven bij uw beslissing willen betrekken. En bij een adjuvante behandeling speelt de afweging of de belasting van een behandeling in verhouding staat tot het mogelijke risico van terugkeer van de ziekte. Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw specialist of huisarts. Iedereen heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van uw ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.

Verloop van de ziekte
Van mensen die zijn behandeld voor kanker, wordt vaak verondersteld, dat de ziekte na een periode van 5 ziektevrije jaren vrijwel zeker is verdwenen. Het valt echter moeilijk te zeggen wanneer iemand (definitief) genezen is van kanker. Daarom spreken we bij baarmoederhalskanker bij voorkeur van ziektevrije jaren of overlevingspercentages. Doorgaans is het risico dat kanker terugkeert kleiner naarmate de periode dat de ziekte niet aantoonbaar is, langer duurt. Als er nog niet echt sprake is van baarmoederhalskanker, maar van een voorstadium, mag u van de behandeling volledige genezing verwachten. De 5-jaarsoverlevingscijfers voor baarmoederhalskanker lopen sterk uiteen, afhankelijk van het stadium waarin de ziekte wordt ontdekt.
In stadium I is de 5-jaarsoverleving 75 tot 90%. In stadium II is de 5-jaarsoverleving 55 tot 70%. In stadium III circa 30 tot 50%. In stadium IV is de 5-jaarsoverleving ongeveer 5 tot 20%. Gemiddeld overleeft ongeveer 75% van alle vrouwen met baarmoederhalskanker de ziekte. Overlevingspercentages voor een groep patiënten zijn niet zomaar naar uw individuele situatie te vertalen. Wat u persoonlijk voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend arts bespreken.


Bron: www.kankerbestrijding.nl

Privacy statement

Disclaimer

Colofon

Olijf is aangesloten bij de NFK en wordt financieel gesteund door KWF Kankerbestrijding