Baarmoederkanker


Elk jaar wordt in Nederland bij ongeveer 1600 vrouwen baarmoederkanker vastgesteld.

Baarmoederkanker ontwikkelt zich bij 90% van de vrouwen in de binnenste slijmvlieslaag van de baarmoeder. Daarom wordt baarmoederkanker ook wel endometriumcarcinoom genoemd.


Bij ongeveer 5 tot 10% van de vrouwen met baarmoederkanker ontstaat de ziekte in de spierwand van de baarmoeder. Dit wordt een uterussarcoom (uterus = baarmoeder) genoemd. Deze informatie gaat over het endometriumcarcinoom.

Doorgroei en uitzaaiingen
Baarmoederkanker is een soort kanker die over het algemeen langzaam groeit. Vanuit het baarmoederslijmvlies kan een kwaadaardige tumor doorgroeien in de onderliggende spierlaag, naar de baarmoederhals of naar de eileiders. Op den duur kan uitbreiding plaatsvinden vanuit de baarmoederholte naar omringende weefsels en organen. Wanneer de tumor doorgroeit, neemt de kans toe dat er tumorcellen losraken en via de lymfe en/of het bloed op een andere plaats in het lichaam terechtkomen. Daar kunnen de uitgezaaide cellen uitgroeien tot tumoren. Zo ontstaan uitzaaiingen.

Bij baarmoederkanker vindt de verspreiding van tumorcellen vooral plaats via het lymfestelsel. Verspreiding van tumorcellen via het bloed treedt bij baarmoederkanker minder vaak op en meestal in een later stadium van het ziekteproces. Er kunnen dan uitzaaiingen ontstaan in organen zoals de longen, de botten of de lever.

Risicofactoren
Er is een aantal risicofactoren bekend waardoor sommige vrouwen een wat groter risico op baarmoederkanker kunnen hebben. Verstoring van het normale samenspel tussen de verschillende hormonen die invloed uitoefenen op
het baarmoederslijmvlies lijkt een belangrijke risicofactor. Het langdurig inwerken van oestrogene hormonen op het baarmoederslijmvlies, zonder onderbreking door andere hormonen, progestativa, kan leiden tot baarmoederkanker:

  • Zo is bij vrouwen zonder of met weinig kinderen en bij vrouwen bij wie de overgang laat begint, het risico op het krijgen van baarmoederkanker iets verhoogd.
  • Het risico op baarmoederkanker is groter bij langdurig gebruik van oestrogenen (zoals bij overgangsklachten). Om dit risico te verminderen, worden de oestrogenen voorgeschreven in combinatie met een progestativum.
  • Tamoxifen is een belangrijk medicijn bij de behandeling van borstkanker. Het gebruik van tamoxifen gedurende een aantal jaren kan het risico op het ontstaan van baarmoederkanker vergroten. De goede behandelingsresultaten van tamoxifen wegen echter zwaarder dan het kleine extra risico op baarmoederkanker, ook al omdat baarmoederkanker in het algemeen goed te behandelen is. Borstkankerpatiënten die tamoxifen gebruiken, worden bij gynaecologische klachten zorgvuldig onderzocht.
  • Er zijn bepaalde zeldzame oestrogeen producerende tumoren van de eierstokken waardoor een verhoogd risico op baarmoederkanker ontstaat.
  • Bij vrouwen met overgewicht komt meer baarmoederkanker voor. Waarschijnlijk doordat in het vetweefsel een extra hoeveelheid oestrogene stoffen wordt aangemaakt.
Baarmoederkanker is, evenals andere soorten kanker, niet besmettelijk. Besmetting door geslachtsgemeenschap is dus niet mogelijk.

Klachten
Bij baarmoederkanker is ongewoon vaginaal bloedverlies de meest voorkomende klacht. Vrouwen die de overgang al hebben gehad, kunnen opeens een bloeding krijgen. Dit wordt wel eens verward met het plotseling terugkeren van de menstruatie. Als u echter al meer dan een jaar niet meer heeft gemenstrueerd, is zo’n bloeding geen gewone ongesteldheid. Omdat baarmoederkanker vooral na de overgang voorkomt, zorgt bloedverlies vaak dat de tumor in een vroeg stadium wordt ontdekt.

Bij vrouwen die nog niet in de overgang zijn, kunnen tussentijdse bloedingen of menstruatiestoornissen wijzen op baarmoederkanker. Vaginaal bloedverlies kan ook met andere aandoeningen dan baarmoederkanker te maken hebben. Bij ongewoon vaginaal bloedverlies of een verandering in de maandelijkse cyclus is het altijd raadzaam naar de huisarts te gaan. De huisarts kan laten onderzoeken wat de werkelijke oorzaak is van dit vaginale bloedverlies. Buikpijn treedt doorgaans pas in een later stadium van de ziekte op.

Als u met een of meer van de hiervoor genoemde klachten bij uw huisarts komt, zal deze u eerst lichamelijk onderzoeken. Daarbij hoort ook een inwendig onderzoek. Zo nodig verwijst uw huisarts u naar een gynaecoloog, een arts gespecialiseerd in ziekten van de vrouwelijke geslachtsorganen. Deze arts zal het lichamelijk onderzoek herhalen en ook een inwendig onderzoek doen. Het uitstrijkje is een onderzoek waarmee afwijkende cellen kunnen worden opgespoord die op baarmoederhalskanker kunnen wijzen. Dit onderzoek is echter niet geschikt voor het opsporen van baarmoederkanker.
De volgende onderzoeken kunnen plaatsvinden wanneer de arts baarmoederkanker vermoedt:

  • inwendig onderzoek
  • vaginale echografie
  • hysteroscopie en curettage
  • bloedonderzoek
  • röntgenonderzoek
  • echografie van de buikorganen
  • CT-scan (computertomografie)
  • mri (Magnetic Resonance Imaging)
Stadiumindeling
Misschien spreekt uw arts over 'het stadium' van de ziekte. Daarmee bedoelt hij: de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Op grond van de hierna beschreven onderzoeken kan de specialist het stadium van de ziekte vaststellen. Het komt er, samengevat, op neer dat er een goed beeld is van:

  • de grootte van de tumor
  • de mate van doorgroei in het omringende weefsel
  • de aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren of elders in het lichaam.
Hoe de ziekte verloopt hangt vooral af van de soort kankercellen waaruit de tumor is opgebouwd, de kwaadaardigheid van de cellen en het stadium van de ziekte.
Voordat uw arts kan bepalen welke behandeling hij u voorstelt, moet hij weten uit welke soort kankercellen de tumor is opgebouwd, welke mate van kwaadaardigheid de tumor heeft en wat het stadium van de ziekte is. Onder het stadium verstaat men de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Op grond van de beschreven onderzoeken kan uw specialist het stadium van de ziekte vaststellen. Er worden bij baarmoederkanker 4 stadia onderscheiden die hier in grote lijnen zijn weergegeven.

  • Stadium I: de tumor is beperkt tot de baarmoeder, waarbij wordt gekeken of de tumor zich alleen in het slijmvlies bevindt of is doorgegroeid in de spierlaag van de baarmoeder.
  • Stadium II: de tumor is doorgegroeid tot in de baarmoederhals maar niet buiten de baarmoeder.
  • Stadium III: er is tumoruitbreiding buiten de baarmoeder, maar binnen het kleine bekken. Dat wil zeggen: in de directe omgeving van de baarmoeder, bijvoorbeeld naar de eierstokken, de vagina of de lymfeklieren in de buik.
  • Stadium IV: de tumor is doorgegroeid buiten het kleine bekken of is doorgegroeid naar de blaas of de endeldarm en/of er zijn uitzaaiingen elders in de buikholte.
Ook bij uitzaaiingen van baarmoederkanker in andere organen, bijvoorbeeld in de longen of de botten, spreekt men van stadium IV.

Gradering
Bij microscopisch onderzoek van het weefsel bij baarmoederkanker wordt de mate van kwaadaardigheid van de tumor bepaald. Dit noemt men de gradering (g). Deze loopt van g1 tot en met g3. Hoe hoger de gradering, hoe kwaadaardiger de tumor en hoe sneller deze groeit.
De meest toegepaste behandelingen bij baarmoederkanker zijn:

  • operatie (chirurgie)
  • bestraling (radiotherapie)
  • hormonale therapie
  • chemotherapie (behandeling met celdelingremmende medicijnen)
Vaak is een combinatie van deze behandelmethoden nodig.

Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling tot doel heeft genezing te bereiken, dan wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Onderdeel daarvan kan een toegevoegde behandeling zijn. Bijvoorbeeld chemotherapie ná een operatie, om eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden (adjuvante behandeling) en daarmee de kansen op ziektevrije, langdurige overleving te vergroten. Of chemo- of radiotherapie vóór een operatie om de tumor te verkleinen (neoadjuvante behandeling). Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo’n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten.

Operatie (chirurgie)
De kans is groot dat de arts u voorstelt om u te opereren. Hoe uitgebreid de operatie zal zijn hangt af van het stadium van de ziekte.

Stadium I
Bij baarmoederkanker in stadium i is een operatie de eerst aangewezen behandeling. Als de tumor beperkt is gebleven tot het baarmoederslijmvlies of de spierlaag, wordt de baarmoeder verwijderd. Tevens worden de eierstokken weggenomen omdat hierin uitzaaiingen kunnen voorkomen. Dit geldt ook voor jongere vrouwen. Het steunweefsel en de lymfeklieren worden meestal niet verwijderd.

Als u nog niet in de overgang bent, zal het verwijderen van de eierstokken tot gevolg hebben dat u in de overgang komt. De operatie vindt plaats via een snede in de onderbuik, vanaf het schaambeen tot de navel of net daarboven. De arts kan zo de buik inspecteren. Soms wordt de baarmoeder via een vaginale operatie verwijderd, in combinatie met een kijkoperatie van de buik. Soms wordt adjuvant bestraling gegeven. Hiertoe kan worden besloten als de kans aanwezig is dat er na de operatie plaatselijk kankercellen zijn achtergebleven. Dit hangt af van:

  • het type kankercellen waaruit de tumor bestaat;
  • de mate van kwaadaardigheid van de kankercellen (gradering);
  • hoe diep de tumor in de baarmoederwand is gegroeid;
  • uw leeftijd en uw algemene gezondheidstoestand.
Stadium II
Als blijkt dat de tumor zichtbaar is doorgegroeid naar de baarmoederhals is de operatie over het algemeen uitgebreider. De baarmoeder en eierstokken worden weggenomen, zoveel mogelijk lymfeklieren en steunweefsel rondom de baarmoeder, en het bovenste deel van de vagina. Deze operatie staat bekend als een Wertheim-Meigs-operatie. Indien de kankercellen in de baarmoederhals alleen aan te tonen zijn onder de microscoop, dan kan met dezelfde operatie worden volstaan als bij stadium i.

Stadium III / IV
Als baarmoederkanker zich in een nog verder gevorderd stadium bevindt (stadium 3 of 4), wordt soms eerst voor een operatie gekozen om zoveel mogelijk tumorweefsel weg te halen. Daarna volgen bestralingen en/of chemotherapie. In andere situaties zal bestraling en/of chemotherapie worden gegeven zonder eerst te opereren. Soms volgt dan na de bestraling en/of chemotherapie alsnog een operatie. Een patholoog onderzoekt het weggenomen weefsel, de randen daarvan en de lymfeklieren onder de microscoop op aanwezigheid van kankercellen. De uitslag van dit onderzoek geeft belangrijke informatie over het stadium van de ziekte. Dit bepaalt mede of verdere behandeling noodzakelijk is.

Bestraling (radiotherapie)
Bestraling is een plaatselijke behandeling met als doel de kankercellen te vernietigen, terwijl de gezonde cellen zoveel mogelijk gespaard blijven. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel. Bestraling kan bij baarmoederkanker zowel een adjuvante als een palliatieve behandeling zijn. Bestraling zonder een voorafgaande operatie wordt alleen toegepast als een operatie niet goed mogelijk is door de uitgebreidheid van de baarmoederkanker of doordat de gezondheidstoestand geen operatie toelaat. Bestraling kan uitwendig, inwendig of als combinatie worden toegepast.

Uitwendige bestraling
De straling komt uit een bestralingstoestel. Het te behandelen gebied wordt van buitenaf - door de huid heen - bestraald. De radiotherapeut zorgt ervoor dat de stralenbundel nauwkeurig wordt gericht en dat het omliggende, gezonde weefsel en kwetsbare organen zo veel mogelijk worden gespaard. Over het algemeen duurt een bestralingsbehandeling een aantal weken en heeft vier tot vijf maal per week plaats. In die periode krijgt u elke werkdag gedurende een aantal minuten een kleine dosis straling. Voor uitwendige bestraling is geen opname in het ziekenhuis nodig. Bij patiënten die uitwendige bestraling krijgen als adjuvante behandeling, begint de bestralingsbehandeling enkele weken na de operatie.

Bijwerkingen
Bestraling beschadigt niet alleen kankercellen, maar ook gezonde cellen. Daardoor kunt u met bijwerkingen te maken krijgen. Over het algemeen hebben mensen gedurende de bestralingsperiode last van vermoeidheid. Doordat bij bestraling van de onderbuik ook de darmen en de blaas straling krijgen, kunt u veelvuldig aandrang voelen om ontlasting te krijgen, last hebben van buikkrampen en diarree, en kunnen er klachten optreden zoals bij een blaasontsteking. Een andere veelvoorkomende bijwerking is een plaatselijke reactie van de huid. Er kan een rode of donker verkleurde huid (en soms blaren) ontstaan op de plek waar u bent bestraald. Op de bestralingsafdeling krijgt u gerichte adviezen om zo min mogelijk last te hebben van de bijwerkingen. De meeste klachten verdwijnen doorgaans enkele weken na afloop van de behandeling. Sommige mensen merken echter nog lang na hun behandeling dat zij eerder vermoeid zijn dan voor hun ziekte. Ook eerder genoemde darm- en blaasklachten kunnen langer aanhouden. De arts kan hiervoor medicijnen voorschrijven.

Vooral bij een combinatie van uitwendige en inwendige bestraling kan het bovenste deel van de vagina stugger en droger worden. Dit kan seksuele activiteit bemoeilijken. Uw arts zal u adviezen geven om dit zoveel mogelijk te voorkomen.

Inwendige bestraling (brachytherapie)
Inwendige bestraling vindt plaats van binnenuit met een kleine stralingsbron. Hiervoor brengt de arts bronhouders (applicatoren) in de baarmoeder en/of in het bovenste gedeelte van de vagina.

Deze bronhouders zijn smalle holle buisjes. Het inbrengen van de bronhouders gebeurt onder plaatselijke verdoving of narcose. Meestal is opname in het ziekenhuis nodig. Als u inwendige bestraling krijgt na een operatie wordt u doorgaans poliklinisch behandeld. Bij inwendige bestraling wordt gebruik gemaakt van een 'after-loading-apparaat'. Dit apparaat brengt via dunne slangen, radioactiviteit over naar de bronhouder. Van de bestraling zelf voelt u niets.

De radiotherapeut berekent nauwkeurig hoeveel straling voor iedere patiënte nodig is. Hierdoor varieert de duur van de inwendige bestraling. Na het inbrengen van de bronhouders maakt men röntgenfoto’s of een CT-scan voor de berekening van de dosis inwendige bestraling. Bij sommige vrouwen wordt ook een mri-scan gemaakt. Het maken van de foto’s en het precies berekenen van de bestralingsdosis kan een half uur tot enkele uren duren, vooral bij inwendige bestraling zonder voorafgaande operatie.

Afhankelijk van de bestralingsduur krijgt u de bestraling direct. Uw radiotherapeut zal dit tevoren met u bespreken. Als de bestraling een aantal uren duurt, verblijft u, vanwege de straling, in een kamer met speciale voorzieningen. Daar worden de bronhouders aangesloten op het after-loading apparaat. Er is dan tevoren een urinekatheter ingebracht, zodat u rustig in bed kunt blijven liggen. Als de bestraling klaar is, trekt het after-loading-apparaat de stralingsbron terug uit de bronhouders. De slangen worden losgekoppeld en de bronhouders verwijderd. Dit is doorgaans niet pijnlijk en kan zonder verdoving gebeuren. Zodra het apparaat de stralingsbron heeft teruggetrokken bent u vrij van straling.

Bijwerkingen
Meestal heeft u weinig klachten na de inwendige bestraling. Soms is het plassen enkele dagen wat gevoelig. Omdat de inwendige bestraling tijdens of kort na de uitwendige bestraling plaatsvindt, kunt u nog wel last hebben van de bijwerkingen van de uitwendige bestraling.

Hormonale therapie
Hormonen zijn stoffen die ons lichaam zelf maakt. Deze worden uitgescheiden in het bloed en beïnvloeden een aantal processen of organen in ons lichaam. Een belangrijke groep hormonen zijn de geslachtshormonen. Baarmoederkanker kan gevoelig zijn voor het vrouwelijk geslachtshormoon progesteron. Hormonale therapieën zijn op die gevoeligheid gebaseerd. De productie van progesteron wordt beperkt of de invloed daarvan wordt verminderd. Het ontstaan en de woekering van de kankercellen kan zo (tijdelijk) worden stopgezet. Afname van de aanmaak of van de werking van progesteron kan worden bereikt het gebruik van medicijnen (hormoonpreparaten). Hormonale therapie is bij baarmoederkanker een palliatieve behandeling.

Bijwerkingen
Bij een hormonale behandeling kunnen een aantal bijwerkingen optreden, onder meer afhankelijk van de voorgeschreven dosis:

  • een toename van het lichaamsgewicht van ongeveer een tot twee kilo;
  • het hart en de bloedvaten kunnen extra belast worden doordat het lichaam meer vocht vasthoudt;
  • de behandeling kan in het begin misselijkheid veroorzaken.
Chemotherapie
Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen invloed op de celdeling. De medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus, als tablet of per injectie. Via het bloed verspreiden zij zich door uw lichaam en kunnen op vrijwel alle plaatsen kankercellen bereiken. Chemotherapie kan bij baarmoederkanker overwogen worden als palliatieve behandeling met name als er uitzaaiingen zijn vastgesteld. Soms wordt chemotherapie als adjuvante behandeling na de operatie en/of bestraling gegeven. Dit is afhankelijk van het soort baarmoederkankercellen en het stadium, en gebeurt meestal in het kader van wetenschappelijk onderzoek.

Bijwerkingen
Cytostatica tasten naast kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen onaangename bijwerkingen optreden. Haaruitval, misselijkheid, braken, darmstoornissen, een verhoogd risico op infecties en vermoeidheid zijn hiervan enkele voorbeelden. Acute misselijkheid en overgeven is meestal te bestrijden met medicijnen. De bijwerkingen verminderen meestal geleidelijk nadat e cytostaticatoediening is beëindigd. Vermoeidheid kan na behandeling echter nog lang aanhouden. Of u last krijgt van bijwerkingen hangt ondermeer af van de soorten en hoeveelheden cytostatica die u krijgt. Hormonale therapie en chemotherapie worden aangeboden aan vrouwen met baarmoederkanker bij wie:

  • de tumor te ver is uitgebreid om nog in aanmerking te komen voor een operatie of bestraling;
  • ondanks operatie en/of bestraling nog tumorweefsel is achtergebleven;
  • er uitzaaiingen van de baarmoederkanker zijn vastgesteld.
De ziekte kan dan soms voor langere tijd worden teruggedrongen.

Afzien van behandeling
Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat, dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Hierbij zal het doel van de behandeling vaak een rol spelen. Het maakt natuurlijk verschil of de behandeling curatief of palliatief bedoeld is, of dat er sprake is van een adjuvante behandeling. Bij een curatieve behandeling accepteert u misschien meer bijwerkingen of gevolgen.

Als een palliatieve behandeling wordt geadviseerd, zult u de kwaliteit van uw leven bij uw beslissing willen betrekken. En bij een adjuvante behandeling speelt de afweging of de belasting van een behandeling in verhouding staat tot het mogelijke risico van terugkeer van de ziekte. Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw specialist of huisarts. Iedereen heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van uw ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.

Verloop van de ziekte
Van mensen die zijn behandeld voor kanker, wordt vaak verondersteld, dat de ziekte na een periode van vijf ziektevrije jaren vrijwel zeker is verdwenen. Het valt echter moeilijk te zeggen wanneer iemand (definitief) genezen is van kanker. Daarom spreken we bij baarmoederkanker bij voorkeur van ziektevrije jaren of overlevingspercentages. Doorgaans is het risico dat kanker terugkeert kleiner naarmate de periode dat de ziekte niet aantoonbaar is, langer duurt. De overlevingskans voor een vrouw met baarmoederkanker is afhankelijk van het stadium waarin de ziekte wordt ontdekt. De overlevingskansen zijn over het algemeen redelijk goed omdat bij 85% van vrouwen de ziekte in een vroeg stadium wordt ontdekt. Dit komt omdat baarmoederkanker vooral voorkomt bij vrouwen die al in de overgang zijn en bloedverlies als klacht in een vrij vroeg stadium optreedt.

In stadium I is de 5-jaarsoverleving ongeveer 80 tot 95%. In stadium II is de 5-jaarsoverleving ongeveer 60 tot 80%.Voor stadium III hangen de vooruitzichten erg af van de specifieke situatie. De behandelend arts kan u het beste hierover informeren. De 5-jaarsoverleving is circa 30 tot 60%. In stadium IV is de 5-jaarsoverleving ongeveer 10 tot 20%. Overlevingspercentages voor een groep patiënten zijn niet zomaar naar uw individuele situatie te vertalen. Wat u persoonlijk voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend arts bespreken.

Bron: www.kankerbestrijding.nl

Privacy statement

Disclaimer

Colofon

Olijf is aangesloten bij de NFK en wordt financieel gesteund door KWF Kankerbestrijding