Eierstokkanker
In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 1100 vrouwen eierstokkanker vastgesteld.
Een bepaalde vorm eierstokkanker, de kiemceltumor, komt vooral bij jonge meisjes voor en veel minder bij volwassen vrouwen.
Verschillende vormen eierstokkanker
Er bestaan goedaardige en kwaadaardige gezwellen van de eierstokken. Goedaardige gezwellen zijn bijvoorbeeld bepaalde cysten (met vocht gevulde holtes) aan een eierstok. De kwaadaardige gezwellen onderscheiden zich door het type weefsel waaruit ze zijn ontstaan.
Globaal zijn er drie vormen:
- Een tumor die ontstaat uit de buitenste laag cellen van de eierstok (het epitheel): epitheliale eierstoktumor. Ook wel aangeduid als adenocarcinoom. Dit is de meest voorkomende vorm (80 tot 90% van de tumoren).
- Een tumor die ontstaat uit de laag weefsel waar de eicellen liggen: gonadale stromaceltumor.
- Een tumor die ontstaan is uit de kiemcellen: kiemceltumor.
Van alle epitheliale eierstoktumoren is ongeveer 15% een grensgeval tussen een goedaardige en een kwaadaardige tumor. Dit heet een borderline-tumor. Vrouwen met een borderline-tumor krijgen een andere behandeling dan vrouwen met een kwaadaardige epitheliale tumor. Meestal is een operatie bij een borderline-tumor voldoende. De meerderheid van de vrouwen met een borderline-tumor geneest van de ziekte. Het onderscheid in de verschillende vormen eierstokkanker wordt gemaakt, omdat de behandeling van elke vorm anders is.
Deze info gaat over de meest voorkomende vorm van eierstokkanker: de epitheliale tumoren.
Groeiwijze en uitzaaiingen
In een vroeg stadium beperkt eierstokkanker zich tot een of beide eierstokken. Zodra de tumor zich buiten de eierstokken gaat uitbreiden, gebeurt dit vooral in de buikholte. De buikholte en de buikorganen zijn bekleed met het buikvlies. Daarop kunnen uitzaaiingen ontstaan, die zich ter plekke kunnen uitbreiden. Daarnaast kunnen er door verspreiding via het lymfestelsel uitzaaiingen in de lymfeklieren ontstaan. Het gaat dan vooral om de lymfeklieren in het bekken en achter in de buikholte. Vanuit die lymfeklieren kan de tumor uitzaaien naar andere organen. Uitzaaiingen via het bloed komen, in tegenstelling tot andere soorten kanker, bij eierstokkanker zelden
voor.
Ascites (vocht)
Eierstokkanker kan gepaard gaan met een abnormale hoeveelheid vocht in de buikholte (ascites). Dit wordt veroorzaakt door een verhoogde aanmaak van vocht en doordat kankercellen de afvoerwegen voor dit vocht kunnen verstoppen. Door ascites kan uw buik opzetten en zwaar gaan aanvoelen. Ook kunnen pijnklachten ontstaan. De hoeveelheid ascites kan variëren van een geringe hoeveelheid tot enkele liters. De specialist kan het overtollige vocht laten afvloeien, waardoor het probleem tijdelijk vermindert. Deze ingreep noemt men een ascitesdrainage. Bij een ascitesdrainage wordt eerst de huid van de buik plaatselijk verdoofd. Vervolgens wordt een holle naald met daarop aangesloten een katheter (dun slangetje) in de buikholte gebracht waardoor het
vocht kan afvloeien.
Dé oorzaak van eierstokkanker is niet bekend. Uit statistieken blijkt dat eierstokkanker vaker voorkomt bij vrouwen die geen of weinig kinderen hebben gekregen.
Er zijn aanwijzingen dat een groot aantal zwangerschappen en het gebruik van 'de pil' het risico op het krijgen van eierstokkanker verminderen.
Erfelijke aanleg
Bij de meeste vrouwen met eierstokkanker is er geen sprake van erfelijkheid. Bij 5 tot 10% van de patiënten is dat wel het geval. Erfelijke eierstokkanker in de familie kan samengaan met erfelijke borstkanker. Een aantal kenmerken kan wijzen op erfelijke eierstokkanker:
- Wanneer bij iemand op relatief jonge leeftijd (voor het 50e jaar) eierstokkanker wordt geconstateerd.
- Als er verscheidene familieleden (bloedverwanten) in verschillende generaties eierstokkanker en/of borstkanker hebben (gehad), bijvoorbeeld een vrouw, haar zus en haar moeder.
- Als een vrouw zowel eierstokkanker als borstkanker krijgt.
- Als kanker in beide borsten wordt vastgesteld (gelijktijdig of met enige tijd er tussen).
- Als in de familie bij een of meer mannen borstkanker voorkomt.
Klachten
De eierstokken liggen min of meer vrij in de buikholte. Daardoor hebben vrouwen in het begin van de ziekte doorgaans geen klachten. Om die reden wordt eierstokkanker vaak pas in een laat stadium ontdekt. Wanneer de ziekte zich uitbreidt, kunnen de volgende symptomen ontstaan:
- vage buikpijn
- een opgeblazen gevoel
- misselijkheid
- verstopping
- vaker dan normaal plassen
- het dikker worden van de buik: dit wordt vaak opgemerkt doordat kleren niet goed meer passen
Als u met een of meer van de hiervoor genoemde symptomen bij uw huisarts komt, zal deze u eerst lichamelijk onderzoeken. Daarbij hoort ook een inwendig onderzoek. Zo nodig verwijst uw huisarts u naar een gynaecoloog, een arts gespecialiseerd in ziekten van de vrouwelijke geslachtsorganen.
De volgende onderzoeken kunnen dan plaatsvinden:
- lichamelijk onderzoek
- bloedonderzoek
- vaginale echografie
- laparoscopie
- CT-scan (computertomografie)
- MRI (Magnetic Resonance Imaging)
- echografie van de buikorganen
- ascitespunctie
- buikoperatie
Een computertomograaf is een apparaat waarmee organen en/of weefsels zeer gedetailleerd in beeld worden gebracht. Bij het maken van een CT-scan wordt gelijktijdig gebruikgemaakt van röntgenstraling en een computer. Het apparaat heeft een ronde opening waar u, liggend op een beweegbare tafel, doorheen wordt geschoven. Terwijl de tafel verschuift, maakt het apparaat een serie foto’s waarop telkens een ander 'plakje' van het orgaan of weefsel staat afgebeeld. Deze 'doorsneden' geven een beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van de tumor en eventuele uitzaaiingen. Vaak is een contrastvloeistof nodig. Meestal krijgt u deze vloeistof tijdens het onderzoek in een bloedvat van uw arm gespoten. Contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel
veroorzaken. Sommige mensen worden er een beetje misselijk van. Om ervoor te zorgen dat u hier zo min mogelijk last van heeft, is het advies enkele uren voor het onderzoek niet te eten en te drinken. Er zijn mensen die overgevoelig zijn voor de contrastvloeistof. Als u denkt dat u eerder zo’n overgevoeligheidsreactie
heeft gehad (koorts, zweten, duizeligheid), is het belangrijk dit voor het onderzoek aan de arts te melden. In dat geval zal voor een MRI worden gekozen.
MRI (Magnetic Resonance Imaging)
Deze onderzoeksmethode maakt gebruik van een magneetveld in combinatie met radiogolven en een computer. De techniek maakt ‘dwars- of lengtedoorsneden’ van het lichaam zichtbaar, waardoor de tumor en/of eventuele uitzaaiingen in beeld komen. Tijdens dit onderzoek ligt u in een soort koker. Sommige mensen ervaren het onderzoek daardoor als benauwend. Er zijn MRI-apparaten die nogal wat lawaai maken. Hiervoor krijgt u oordopjes in; soms kunt u naar (uw eigen) muziek luisteren. Via de intercom blijft altijd contact bestaan tussen u en de laborant, die tijdens het onderzoek in een andere ruimte is. Soms wordt tijdens het onderzoek, via een ader in uw arm, een contrastvloeistof toegediend.
Echografie van de buikorganen
Bij een echografie van de buikorganen worden de lever, nieren en lymfeklieren in beeld gebracht. De arts let met name op eventuele uitzaaiingen in uw buik. Tijdens het onderzoek ligt u op een onderzoektafel. Nadat op uw huid een gelei is aangebracht, wordt daarover een klein apparaat bewogen dat geluidsgolven uitzendt. De afbeeldingen op het beeldscherm kunnen op foto’s worden vastgelegd. Het kan nodig zijn dat u een volle blaas heeft, waardoor de organen onder in de buik beter in beeld komen. Ook kan het noodzakelijk zijn dat u enkele uren voor het onderzoek niet eet en drinkt. Echografie is een eenvoudig, niet belastend onderzoek.
Ascitespunctie
Als uw buik in omvang is toegenomen, kan dat een gevolg zijn van overmatig vocht (ascites) in de buikholte. Ascites is met echografisch onderzoek vast te stellen. Een onderdeel van het onderzoek kan zijn dat een beetje vocht door middel van een punctie wordt afgenomen. Het vocht wordt onder de microscoop onderzocht op de aanwezigheid van kankercellen. Bij een punctie wordt eerst de huid van de buik plaatselijk verdoofd. Vervolgens wordt een holle naald in de buikholte gebracht waardoor het vocht kan afvloeien. Een ascitespunctie wordt ook vaak gedaan ter ontlasting van druk op de buik, waarbij dan veel meer vocht wordt weggenomen.
Buikoperatie
Een operatie heeft een drieledig doel:
- Het definitief stellen van de diagnose eierstokkanker.
- Het beoordelen van de uitgebreidheid van de ziekte.
- Het vaststellen van de behandeling.
Stadiumindeling
Om te kunnen bepalen welke behandeling(en) hij u voorstelt, moet uw specialist weten uit welke soort kankercellen de tumor is ontstaan, hoe kwaadaardig deze zijn en wat het stadium van de ziekte is. Onder het stadium verstaat men de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid.
De specialist stelt het stadium van de ziekte vast door onderzoek te doen naar:
- De plaats en de grootte van de tumor.
- De mate van doorgroei in het omringende weefsel.\De aanwezigheid van uitzaaiingen in de lymfeklieren en/of organen elders in het lichaam.
Bij eierstokkanker onderscheidt men vier stadia. Pas tijdens een operatie is definitief vast te stellen in welk stadium de ziekte is (stageringsoperatie). De specialist betrekt ook de uitkomsten van andere onderzoeken bij het vaststellen van het stadium.
De vier stadia van eierstokkanker zijn:
- Stadium I: de tumor is beperkt tot een of beide eierstok(ken).
- Stadium II: de tumor is doorgegroeid in andere organen in het kleine bekken.
- Stadium III: er zijn uitzaaiingen in de buikholte buiten het kleine bekken.
- Stadium IV: er zijn uitzaaiingen van eierstokkanker ergens anders in het lichaam, bijvoorbeeld in de longen.
Behandeling
De meest toegepaste behandelingen bij eierstokkanker zijn:
- operatie (chirurgie)
- behandeling met celdodende of celdelingremmende medicijnen (chemotherapie)
Doel van de behandeling
Wanneer een behandeling tot doel heeft genezing te bereiken, dan wordt dat een curatieve behandeling genoemd.
Onderdeel daarvan kan een aanvullende behandeling zijn (adjuvante behandeling). Bijvoorbeeld chemotherapie na een operatie, om eventuele niet-waarneembare uitzaaiingen te bestrijden en daarmee de kans op terugkeer van de ziekte te verminderen. Of chemotherapie voor een operatie om de tumor te verkleinen (neo-adjuvante behandeling). Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is een palliatieve behandeling mogelijk. Zo’n behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering of het voorkomen van klachten.
Behandelplan
Bij het vaststellen van het behandelplan zijn verschillende specialisten betrokken. Zij maken gebruik van gezamenlijk vastgestelde landelijke richtlijnen. De artsen stellen u een bepaalde behandeling voor op grond van:
- het stadium van de ziekte
- de vorm van eierstokkanker en de mate van kwaadaardigheid
- uw algemene lichamelijke conditie
- de hoeveelheid tumorweefsel dat niet bij de operatie verwijderd kan worden.
Een operatie is de meest voorkomende behandeling bij eierstokkanker. De buik wordt geopend met een snee die loopt van boven de navel tot aan het schaambeen. Meestal verwijdert de gynaecoloog de baarmoeder, de beide eierstokken en het grote inwendige vetschort (omentum majus). Wanneer een vrouw met eierstokkanker een kinderwens heeft, zal men eerst kijken naar de vorm van eierstokkanker en de uitgebreidheid van de ziekte voordat men verder opereert. De baarmoeder en de andere eierstok kunnen alleen behouden blijven als er sprake is van een minder kwaadaardige vorm van eierstokkanker én als de ziekte nog in een vroeg stadium is. Als de ziekte zich door de hele buikholte heeft uitgebreid, neemt de gynaecoloog zo veel mogelijk tumorweefsel weg. Dit wordt debulking genoemd. Hoe minder tumorweefsel achterblijft, hoe groter de kans op succes bij een vervolgbehandeling met medicijnen (chemotherapie). Wanneer de tumor is doorgegroeid in bijvoorbeeld de darmen, kan de gynaecoloog het nodig vinden ook een deel van de darmen weg te nemen. Soms is het dan noodzakelijk om een tijdelijk of definitief darmstoma aan te leggen. Een stoma is een kunstmatige uitgang: een opening van de darm in de huid van de buik. Ook kunnen (delen van) andere organen, zoals milt, lever, maag of blaas verwijderd worden. Dit komt zelden voor. De specialist kan vanwege de uitgebreidheid van de ziekte ook tot de conclusie komen dat het niet verantwoord is om verder te opereren. Het behandeladvies is dan meestal chemotherapie. Het doel daarvan is de tumor zo veel mogelijk te verkleinen. Als dat doel wordt bereikt, kan meestal alsnog een operatie plaatsvinden. Het opnieuw operatief verwijderen van tumorweefsel na chemotherapie, wordt interval debulking genoemd. Samengevat kan een operatie drie verschillende resultaten opleveren:
- De tumor is in zijn geheel verwijderd.
- Er is zo veel mogelijk tumorweefsel verwijderd (slechts een klein restant is achtergebleven).
- Het tumorweefsel was te uitgebreid om er voldoende van te verwijderen.
Chemotherapie is de behandeling van kanker met celdodende of celdelingremmende medicijnen: cytostatica. Er zijn verschillende soorten cytostatica, elk met een eigen werking. De medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus of injectie. Soms worden zij met behulp van een buikkatheter (een dunne slang) rechtstreeks in de buikholte toegediend. Via het bloed verspreiden zij zich door uw lichaam en kunnen op vrijwel alle plaatsen kankercellen bereiken. Vaak worden verschillende cytostatica gecombineerd. Welke combinatie het meest geschikt is, hangt af van de soort kankercellen, het stadium van de ziekte en uw conditie. Uw specialist zal u hierover adviseren.
Cytostaticakuur
Meestal worden de cytostatica gedurende een aantal uren toegediend volgens een vastgesteld schema. Hierna volgt een rustperiode van een aantal dagen of weken waarin u geen cytostatica krijgt. Een dergelijk schema van toediening met daarna een rustperiode heet een cytostaticakuur. Zo’n kuur wordt enige malen herhaald. Als na een operatie tumorweefsel is achtergebleven, wordt na een aantal kuren onderzoek gedaan naar het effect van de behandeling. Bij een aantal vrouwen met eierstokkanker in stadium I kan met een operatie worden volstaan. Meestal echter is chemotherapie een belangrijk onderdeel van de behandeling van eierstokkanker en kan in verschillende situaties worden geadviseerd:
- Wanneer bij de operatie al het zichtbare tumorweefsel is verwijderd. De chemotherapie wordt dan gegeven om (eventueel) niet-waarneembare, achtergebleven kankercellen te bestrijden (adjuvante behandeling).
- Wanneer bij de operatie zo veel mogelijk tumorweefsel is verwijderd en hooguit een klein restant over is. De chemotherapie wordt dan gegeven om het restant tumorweefsel te vernietigen.
- Wanneer bij de operatie de tumor te ver was uitgebreid om deze voldoende te kunnen verwijderen. Chemotherapie heeft dan tot doel dit tumorweefsel eerst te verkleinen. Bij voldoende effect wordt dan een tweede operatie verricht, gevolgd door nog enkele cytostaticakuren (interval debulking).
- Wanneer na een eerdere succesvolle behandeling (operatie en chemotherapie) de ziekte later toch weer actief wordt. Zo’n herhaalde behandeling is erop gericht de verdere uitbreiding van de ziekte zo lang mogelijk tegen te houden (palliatieve behandeling).
Cytostatica tasten naast kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen onaangename bijwerkingen optreden, zoals:
- haaruitval
- misselijkheid en braken
- darmstoornissen
- een verhoogd risico op infecties
- vermoeidheid
Bestraling (radiotherapie)
Bestraling wordt bij eierstokkanker zelden en dan vooral als palliatieve behandeling toegepast, bijvoorbeeld wanneer pijn ontstaat door uitzaaiingen in de botten of lymfeklieren. Het doel is om de klachten te verminderen door de uitzaaiingen in hun groei te remmen en zo veel mogelijk te verkleinen. Palliatieve bestraling bij eierstokkanker bestaat doorgaans uit een of enkele bestralingen. Bestraling is een plaatselijke behandeling met als doel de kankercellen te vernietigen, terwijl de gezonde cellen zo veel mogelijk gespaard blijven. Kankercellen verdragen straling slechter dan gezonde cellen en herstellen zich er minder goed van. Gezonde cellen herstellen zich over het algemeen wel.
Soms wordt radiotherapie ook geadviseerd als de ziekte na een aanvankelijk succesvolle behandeling in het bekken is teruggekeerd en de tumor daarna opnieuw operatief is verwijderd. De bestraling is dan bedoeld om achtergebleven kankercellen te vernietigen. In deze situatie wordt het bekkengebied gedurende ongeveer vijf tot zes weken elke werkdag enkele minuten bestraald. De straling komt uit een bestralingstoestel (lineaire versneller). Het te behandelen gebied wordt van buitenaf - door de huid heen - bestraald. De radiotherapeut of radiotherapeutisch laborant zorgt ervoor dat de stralenbundel nauwkeurig wordt gericht en dat het omliggende, gezonde weefsel zo veel mogelijk buiten het te bestralen gebied blijft. Voor bestraling is geen opname in het ziekenhuis nodig.
Bijwerkingen
Bestraling beschadigt niet alleen kankercellen, maar ook gezonde cellen in het bestraalde gebied. Daardoor kunt u met een aantal bijwerkingen te maken krijgen:
- Omdat bij bestraling van het bekkengebied ook andere organen straling krijgen, kunnen sommige vrouwen last krijgen van buikkrampen en diarree.
- Bij sommige vrouwen treden klachten op zoals bij een blaasontsteking.
- Bij bestraling van uitzaaiingen (ergens anders in het lichaam) hangt de kans op bijwerkingen af van de plaats en het aantal bestralingen dat u krijgt.
- Bij sommige patiënten ontstaat een rode of donker verkleurde huid (en soms blaren) op de bestraalde plek.
- Over het algemeen hebben patiënten tijdens de bestralingsperiode ook last van vermoeidheid.
Afzien van behandeling
Het kan gebeuren dat bij u of bij uw arts de indruk bestaat, dat de belasting of de mogelijke bijwerkingen of gevolgen van een behandeling niet (meer) opwegen tegen de te verwachten resultaten. Hierbij zal het doel van de behandeling vaak een rol spelen. Het maakt natuurlijk verschil of de behandeling curatief of palliatief bedoeld is, of dat er sprake is van een adjuvante (= onderdeel van een curatieve) behandeling. Bij een curatieve behandeling accepteert u misschien meer bijwerkingen of gevolgen. Als een palliatieve behandeling wordt geadviseerd, zult u de kwaliteit van uw leven bij uw beslissing willen betrekken. En bij een adjuvante behandeling speelt de afweging of de belasting van een behandeling in verhouding staat tot het mogelijke risico van terugkeer van de ziekte. Als u twijfelt aan de zin van (verdere) behandeling, bespreek dit dan in alle openheid met uw specialist of huisarts. Iedereen heeft het recht om af te zien van (verdere) behandeling. Uw arts zal u de noodzakelijke medische zorg en begeleiding blijven geven om de hinderlijke gevolgen van uw ziekte zo veel mogelijk te bestrijden.
Verloop van de ziekte
Bij eierstokkanker is het moeilijk aan te geven wanneer iemand echt genezen is. Ook na een in opzet curatieve behandeling bestaat het risico dat de ziekte terugkomt. We spreken daarom liever niet van 'genezingspercentages' maar van 'overlevingspercentages'. Daarbij wordt meestal een periode van 5 jaar vanaf de diagnose aangehouden. Het risico op terugkeer is doorgaans kleiner naarmate de periode dat de ziekte niet aantoonbaar is, langer duurt.
De 5-jaarsoverlevingcijfers voor vrouwen met eierstokkanker lopen sterk uiteen, en zijn onder meer afhankelijk van het stadium waarin de ziekte is ontdekt en de mate van kwaadaardigheid. Van alle vrouwen met eierstokkanker is de 5-jaarsoverleving circa 30%. Wanneer de ziekte in een heel vroeg stadium is ontdekt, is dat percentage hoger. Zo zijn de 5-jaarsoverlevingcijfers bij stadium I ruim 85% en bij stadium II rond de 50%.
Overlevingspercentages voor een groep patiënten zijn niet zomaar naar uw individuele situatie te vertalen. Wat u persoonlijk voor de toekomst mag verwachten, kunt u het beste met uw behandelend arts bespreken.
Bron: www.kankerbestrijding.nl
